| Maartens' tips |
![]() Als er iemand verstand heeft van openwaterzwemmen, dan is het wel Maarten van der Weijden. De 2.02 meter lange Nederlander, over wie men zegt dat hij half mens/half vis is, heeft de 10 kilometer openwater wedstrijd van de Olympische spelen in Peking gewonnen.
Niet altijd is zijn loopbaan van een leien dakje gegaan: Er is in 2001 leukemie bij hem vastgesteld, waarna hij een stamcel-transplantatie heeft gehad. "Er zijn mensen die wedstrijden vergelijken met kanker", aldus Maarten. "Daar ben ik het niet mee eens. Ik heb gewoon mazzel gehad; de behandeling sloeg aan. Zwemmen deed ik toen al; ik stond in de top-10 bij de 5- en de 10 kilometer wedstrijden van het WK in 2000. Ik ben blij dat ik ondanks die tegenslag mijn loopbaan heb kunnen voortzetten." Na dit succes met de Olympische spelen is van der Weijden gaan afbouwen. "Het zwemmen beheerste een paar jaar lang mijn hele leven.", legt hij uit. "Voor de Olympische spelen van Peking was ik bijvoorbeeld elke dag alleen bezig met: trainen, eten, en woonde ik in een 'zuurstoftent. Ik had geen zin om dat nog eens vier jaar vol te houden, en nam dus het besluit om daarmee te kappen; ik ben eens gaan 'leven'." Je zou kunnen zeggen dat deze geschiedenis een perfecte basis is om lering uit te trekken: Maarten over de voorbereiding... Zorg dat je het tracé goed kent: Weet waar de boeien liggen en hoe je aan wal komt. op deze manier weet je voorafgaand aan de wedstrijd al hoe de route loopt die je gaat afleggen. Over de te gebruiken zwemtechniek...
Wissel zo veel mogelijk af en spaar dus kracht voor later in de race. Dat deed ik in elk geval op de Olympische spelen: David Davis is bijvoorbeeld veel sneller dan ik. Toch wist ik hem te kloppen in de laatste honderd meter voor de finish (zijn record op de 1500 meter is bijvoorbeeld 14 minuten en 45 seconden, terwijl die van mij 15.41 is)
Over je slag…
Maak je slag zo lang mogelijk; hoe langer, hoe beter. Als je slag langzaam is, ga je juist sneller! Wat ik vaak doe tijdens het trainen in een zwembad, is het oefenen van zogenaamde 'inhaal-slagen', door het aantal slagen te tellen om naar de overkant te komen. Ik heb er bijvoorbeeld 11 nodig als ik rustig zwem, maar 14 of 15 als ik aan het sprinten ben. En dat met m’n 2,02 meter.
Voor meer ervaren atleten...
Zorg dat je tijdens een massastart daar staat waar je wilt staan. Bijvoorbeeld als je er snel vandoor wil gaan, regel dan dat je bij een groepje van snelle renners staat, zodat je meteen in een kopgroep wordt opgenomen. Verder is het van belang dat je goed nadenkt over waar in de massa je je bevindt. Maar in het open water maakt dat dus niet uit. Let wel op: ik denk zelf dat je beter krachten kunt sparen door mee te zwemmen in een groep achtervolgers, dan dat je perse in de kopgroep moet gaan zitten. Die achterstand is gemakkelijker in te lopen tijdens het fietsen of het lopen. Voor de serieuze onder ons is het raadzaam om het deelnemersveld al een beetje te kennen: Wie zwemt er snel, met wie zwem je lekker mee, en wie vecht er altijd maar door? Op die manier weet je al waar je je wilt gaan opstellen.
Over het uitbouwen van je zwemmeters...
Doe dit altijd geleidelijk. En als je werkt aan het uitbouwen van je volume, dan niet te veel gaan sprinten. Het is óf werken aan volume, óf aan snelheid - nooit tegelijkertijd. Begin eerst met het uitbouwen van je volume, en verhoog dan pas de intensiteit van de training. Maar bovenal staat een goede techniek: beter één goede slag dan twee halve.
Over krachttraining…
Ikzelf ben niet zo van krachttraining 'ansich', maar ik heb wel altijd veel aandacht geschonken aan m'n houdingsspieren; om platter en meer gestroomlijnd in het water te liggen. Daar zijn een boel oefeningen voor; buig je daar eens over met een kenner. Je hebt er hebt er verder niets bij nodig! Wat ik altijd deed: Ik begon 's ochtends altijd met zwemmen, waarna ik een half uur m'n houdingsspieren trainde. (niet vergeten dat ik wel een topsporter was!)
Over incasseringsvermogen…
Het enige waaraan ik denk tijdens het zwemmen is eh, zwemmen! Ik ben dan alleen maar bezig met zaken die met de wedstrijd te maken hebben; mijn techniek, mijn tactiek, mijn concurrenten. Houd dus je kop erbij...
Ik heb gedurende mijn loopbaan vaak zat trainingen gehad waarbij ik meer dan vier uur in het water bezig was. Zelfs dan concentreerde ik me op al mijn slagen. Geen moment zakte de concentratie in; ik ben de hele tijd bezig met hoe een slag nog beter kan. Trouwens geen idee of het feit dat ik leukemie mijn lichaam uit heb gekregen, me sterker heeft gemaakt. Ik herinner me nog dat ik vroeger wel eens nerveus was, of ik een wedstrijd niet zou gaan verknallen. Voor mij hoorde dat tot de ergste dingen die zou kunnen gebeuren. Door toedoen van die ziekte weet ik wel beter. Je zult me dus nooit horen zeggen dat ik juist door mijn ziekte goud heb gehaald op de Olympische spelen -een stamcel-transplantatie maakt je fysiek echt niet sterker, maar het heeft me wel geleerd om dingen eens van een andere kant te bekijken.
Vlak voor de start...
Het wachten vlak voor de start is absoluut niet mijn ding: iedereen is nerveus en loopt een beetje te dralen. Ik heb altijd geprobeerd om me zo kort mogelijk in de wachtruimte op te houden. Daarom deed ik al het 'laatste moment dingetjes' zo kort mogelijk voor de start.
Over het gemotiveerd blijven...
Net zoals bij andere duursporten, kun je het openwater zwemmen jaren lang volhouden. Ik genoot ervan. Ook om naar iets concreets toe te werken; Al die tijd lonkte het Olympisch goud... Als je al het trainen puur voor jezelf doet (dus niet voor jouw trainer of anderen), alleen dan lukt het je zelfs om te gaan trainen op dagen dat je met het verkeerde been uit bed stapt. Stel jezelf vaak de volgende vraag: Heb ik dit er allemaal voor over om een topsporter te zijn? Als je daar "ja" op zegt, en (nogmaals) als je dit echt voor jezelf doet, dan traint het een stuk gemakkelijker.
Zwembadtraining: Maarten’s favoriete programma gaat als volgt:
Warming-up: 1000 meter met verschillende slagen; waaronder die ´inhaalslagen' en slagen waarbij de ellebogen overdreven hoog uit het water komen.
De training zelf: 1 x 1000m, 1 x 900m, 1 x 800m, 1 x 700m, 1 x 600m, 1 x 500m, 1 x 400m, 1 x 300m, 1 x 200m, 1 x 100m (waarbij je de snelheid opvoert als de afstand afneemt; de laatste 100 meter vol gas)
Cooling-down: 2000 meter waarbij je flinke slagen wisselt met rustige.
In het totaal zwem je dus 8500 meter.
Voor sporters van middelbare leeftijd gaat het iets rustiger:
Warming-up: 500 meter met het wisselen van slagen en de nadruk te leggen op je zwakke punten.
De training zelf: 1 x 800m, 1 x 400m, 1 x 200m, 2 x 100m
(waarbij je de snelheid opvoert als de afstand afneemt; de laatste 100 meter vol gas)
Cooling-down: 200 meter waarbij je flinke slagen wisselt met rustige, en de rugslag.
In het totaal zwem je dus 2300 meter.
Bron: Artikel tri220 vertaald door Eric Frankenmolen
|



